Weblog Barbara Rottiers

‘Mijn’ aidsweeskinderen. Zeven zomers geleden.

22 / 12 / 2010

Dat het zo koud was daar. In België was het een warme zomer maar ik moest en zou naar zuidelijk Afrika vertrekken voor een paar maanden. Het grootste deel van de tijd bracht ik door in een weeshuis in Botswana, een dagcentrum voor kinderen die hun ouders verloren hadden aan aids, op zo’n vijftig kilometer van de hoofdstad, Gaborone.

Het dorp was een gat waar nooit iets gebeurt. Tenzij op zondag naar de mis. En meestal ook nog een begrafenis op zaterdag, want iedereen ging dood in het dorp. Dat is overdreven, wil je daar graag aan toevoegen maar zo voelde het wel, alsof iedereen dood ging, en zo was het uiteindelijk ook.
Koud. Koud. Koud was het er.
’s Nachts vroor het in het stille dorp in de vallei.

En geen een die me dat had gezegd, het kan erg koud zijn in Botswana.
Zoiets zoekt Rottiers ook niet op natuurlijk. Rottiers denkt, het zal daar wel warm zijn want daar heb ik zin in.
De kinderen rilden ook van de kou, in de ochtend, toen ze onderweg naar school nog even kwamen zwaaien langs het huis.

Meisje met de wondjes, leef je nog?

Samen met het meisje met de wondjes wandelde ik af en toe naar het ziekenhuis. Hand in hand. Het ziekenhuis was ver. Het meisje was een stom meisje, dat vonden de anderen toch. Ze werd gepest. Want in dat opzicht zijn aidsweeskinderen heel gewone kinderen. Aidsweeskinderen zijn alvast niet beter opgevoed.
Samen met het kleine meisje stapte ik dan door de vlakte. We praatten over school en over heel gewone dingen. Ze droeg haar schooluniform. Een bruine trui en rok met daaronder een zonnegeel shirt.

De eerste keer toen we dat deden moest ze zich in het ziekenhuis laten nakijken voor een verkoudheid. En toen moest ze van de dokteres ook even haar beentjes laten zien. Ik begreep zoveel niet omdat ik de lokale taal niet sprak. Vreselijk moeilijk met allerlei van die klak-klanken erin zoals het Xosa in buurland Zuid-Afrika. Ze deed haar rokje omhoog om haar billen te laten zien. Die billen zaten onder de wondjes. Ze genazen maar niet. Ik bleef haar hand vasthouden. Die handjes waren klam. Ik schrok van al die wonden. Want ik dacht dat we voor een simpele verkoudheid gingen. De wonden waren vies.

Maar toen ik klein was, was ik ook bang voor de dokter. Dus gingen we telkens weer hand in hand naar het ziekenhuis.
Ik hoop dat het goed gaat met je, meisje-met-de-wondjes.

Meisje uit de doos, hoe is het met jou?

Het meisje uit de doos was de oudste van vier. Een heel mooi meisje, met zachte lieve ogen. Toen ik er was zo’n jaar of twaalf, dus ondertussen moet ze een flinke tiener zijn.
Het weeshuis was een huis voor overdag, voor na de schooluren. Iedere ochtend passeerde het meisje samen met haar broers en zus langs het huis.
Jullie zagen er altijd netjes gestreken uit, onberispelijk.

Ik hoorde het pas na een paar dagen, dat jullie onder een kartonnen doos sliepen. Omdat er niemand was om voor jullie te zorgen in de nacht.
Jullie kleren waren schoon. De sokken sneeuwwit.
Ik hoop nog altijd dat ik dat toen gedroomd heb, het verhaal van het meisje uit de doos.

Het meisje uit de doos was niet besmet. Ze was zo taai dat ze ondanks het gebrek aan woonst, er toch in slaagde de was te doen. Uit trots. Als je je trots kwijt bent, ben je veel kwijt.
Meisje uit de doos, ik hoop dat het goed met je gaat.

Dag dames van de schoonmaak en de kook

Hoe is het met jullie?
Er was een collega die goed voor me zorgde als ik me een beetje verloren voelde. Neen, makkelijk was het niet in het dorp waar nooit iets gebeurde.
Hoe is het met jou, collega? Ben je erg ziek ondertussen? Ze durfde niet te vertellen over haar besmetting. Over HIV spreek je niet.

Beste collega’s, sorry dat ik toen die kip niet slachtte. Ik weet dat jullie dat heel erg onvolwassen van me vonden.
En ik maar zeggen dat ik plots vegetariër was. Daar trapten jullie natuurlijk niet in.
Barbara, slacht nu gewoon die kip, zeiden jullie met een zucht.
Ze liep weg, die kip. Ik blij.
Ga er achteraan, riepen jullie, daar gaat ons eten!

Ik hoop dat het goed gaat met jullie allemaal.
Een goeie Kerst daar in het verre Botswana.

@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus – mod

1 Antwoord op “‘Mijn’ aidsweeskinderen. Zeven zomers geleden.”

  1. JOHAN Zegt:

    Ik was echt ontroerd bij het lezen van deze blog. Ik weet het, in België zijn er ook arme kinderen met problemen, en men zou daar ook beter eens een glazen huis voor opzetten. Maar dat onbesmette meisje zonder ouders dat met haar broertjes en zusjes sliep onder een kartonnen doos en er toch onberispelijk uitzag omdat ze de fierheid had behouden en eiste dat haar kleine wezenfamilie er onberispelijk moest uitzien. Prachtig is dat, zo’n kind moest met haar broertjes en zusjes kansen krijgen in het leven. Dat zou het hebben verdiend…

Plaats een antwoord op het bericht