Weblog Barbara Rottiers

Beste New York,

01 / 06 / 2011

Ik ben voor u gevallen.

Of beter, jij bent over mij heen gevallen. Maar ik heb het laten gebeuren. Daar heb ik zelf op ingetekend. Ik heb je parmantig en met behoorlijk wat opzet over mijn voeten laten struikelen.

Zie mij hier nu liggen, met jou over mij heen. Je weegt zwaar. Warm en loom ben je en afwisselend een paar tellen fris en licht.

Plat uit lig ik hier op mijn rug in een van je parken, met jouw stratenplan als een dun kluwen over me heen. Ik kan geen pap meer zeggen, zo moe ben ik de afgelopen dagen van je geworden. Je laat me net genoeg klamme vochtige lucht om een ietsiepietsie te ademen.

Tussen u en mij

Lieve stad, de komende tijd gaat het tussen u en mij. Wij gaan mekaar beter leren kennen. En we gaan goed zijn voor elkaar, zo is dat onderling afgesproken.

Ik was hier al eerder. Maar nu is het voor echt. Want ik kom studeren in een van jouw bezwete okselpitten. Aan de kunstacademie, zomaar voor een tijd. En tot spijt van al wie het benijdt. Maar bovenal ben ik hier om me kortstondig in uw armen te laten wiegen. Neem mijn gedachten even van me over, lieve stad. Neem mijn gedachten even mee in jouw oneindig energieke zee.

Maar hoe krijg je als nieuweling voet aan wal in een mastodont als jij bent? Dat vroeg ik me af en kwam uit op huiselijke dingen. Waarop ik vervolgens mijn zwemzak pakte om in het dichtst bijzijnde bad een paar baantjes te gaan trekken. De weg vinden in een vreemd zwembad brengt je namelijk altijd even terug tot wat je bent in deze wereld, niet meer dan een donzig kuikentje.

Zwembeurt

Natuurlijk heeft het bordje ‘Parks & Recreation’ aan de deur me definitief over de drempel getrokken. Want de gelijknamige serie met Amy Phoeler, daar mag ik graag om lachen. Dus waande ik me tenminste een zwembeurt lang in een kneuterige scène uit die reeks.

De infrastructuur van het bad leek met z’n houten dakstructuur verdacht veel op die van de inkomhal op Ellis Island. Daar waar de eerste immigranten rond de vorige eeuwwisseling arriveerden om hun American dream waar te maken. Maar dan een heel stuk kleiner. En een likje verf had geen kwaad gekund. En hier en daar een nieuwe tegel, ook niet.

Er was een erg dikke mevrouw in het bad. Ze peddelde een beetje voort als een pad op pensioen die toch ook nog even recht heeft op wat verfrissing. Toen ze uit het bad wou riep ze de badmeester die haar duidelijk kende. Vervolgens werd ze met weinig woorden niet getakeld via een hightech kabelsysteem maar met een kantinestoel waar wieltjes onder waren geplakt. Zulks.

The slow lap

Toen ik vanuit de kleedkamers het zwembad binnenkwam zag ik een volle baan voor snelle zwemmers, een even volle voor middelmatige zwemmers en nagenoeg lege voor de trage zwemmers. Om niet te zeggen dat er nadat de dikke mevrouw getakeld was, maar één man meer over in de trage baan. Aangezien ik in mijn jeugd behoorlijk wat complexen opliep over mijn langzame zwemtempo, vond ik aanspraak te kunnen maken op een plek in het lege vak.

‘Oh miss, you’re much too fast for the slow lap’, kwam de badmeester me al snel melden. Vriendelijk maar direct. Het argument dat de andere baantjes te vol waren en ik de enige zwemmer hier op geen enkele manier zou storen, kreeg geen gehoor. Ik besloot de situatie als een compliment op te vatten. Wat dus niet zo moeilijk was voor iemand die vroeger tijdens de lessen lichamelijke opvoeding alleen maar mocht voordoen aan de rest van de klas als het op de sierlijkheid van zwemmen aan kwam. En zo kwam ik in de baan terecht waar ik hoorde te zijn en ging op in het geheel.

Honger

In de Whole Foods (Lees: een supermarkt als de Inno zo groot waar ze alleen maar klaargemaakte maaltijden verkopen) stond er zoveel volk aan de kassa dat ik meende flauw te kunnen vallen van benauwdheid en van honger natuurlijk, want eten, daar was het me natuurlijk om te doen. Maar als een van de laatst overgebleven Indianen hield ik stand in de rij met de blauwe pijl die me was toegewezen. Tot het mijn beurt was om naar een kassa met een flikkerende lamp te rennen om mijn uitgekozen waar te gaan betalen. Het ging goed. Ik deed alles juist en wenste mezelf proficiat om het systeem zo schrander en snel begrepen te hebben.

Een vriendin

Op uw grond ben ik niets en ben ik niemand, lieve stad.

Al reizend ben ik een kameleon, die niet op zal vallen. En schep daarin een vreemd genoegen dat wordt bevestigd als toevallige passanten me de weg vragen.

Ik probeer mezelf te herdefiniëren. En word daar geweldig blij van. In uw web breng ik mezelf weer in kaart.

Zonet hoorde ik op een van uw kruispunten alwaar niemand het groen afwacht, ineens iemand mijn naam roepen. ‘Barbaaaaaaraaaaaa!!!’. Een vriendin die hier alweer een paar jaar woont. We hadden afgesproken om samen te gaan eten.

Jazeker, ik wil mezelf gerust hertekenen, heruitvinden, opgaan in complete anonimiteit. Maar oh wat een deugd als die luchtbel even wordt doorprikt.

@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus – mod

Televisie bye bye

18 / 05 / 2011

Ik heb de TV buiten gegooid.

Soms moet je ostentatief iets aantonen. Dus heb ik het televisietoestel opgepakt en heb het buiten gegooid. Op het terras. Niet buiten op iemands hoofd.

Hij vloog niet ver want het was nog zo’n ouwe zware. Hij vloog zelfs niet eigenlijk. Hij is gevallen, met een kleine omweg behoorlijk recht naar beneden. Boink op de grond.

Het toestel was ook niet meer zo nieuw. De meeste mensen die in beeld kwamen begonnen er uit te zien alsof ze leden aan Hepatitis A of B. In ieder geval de vorm van geelzucht waar je het meeste kleur van krijgt. Natuurlijk lukt het onze politici niet om een regering te vormen, dacht ik, want ze zijn ziek. Iemand moet ze dat toch eens zeggen!

Dus zo heel erg was het niet, dat het de deur uit ging. Vervanging had zich binnen afzienbare tijd opgedrongen.

Overload

Een statement was het, het als een mislukte kogelstoter buitengooien van de TV. Maar als ik dat nu niet even onder de aandacht breng, heeft het natuurlijk helemaal geen zin gehad, die actie. Want dan ga ik ‘m straks naar het containerpark brengen en lijkt het of het glas gewoon vanzelf stuk is gegaan. De mensen in het containerpark bij ons zijn erg vriendelijk, dus ik denk dat ze wel vijf minuten tijd zouden maken voor mijn verhaal over het dramatische einde van het televisietoestel en op die m’n actie toch wat luister zouden geven. Maar ik maak u er, beste lezer, bij deze toch ook maar even attent op.

Eigenlijk heb ik helemaal niets tegen televisie. Er zijn soms erg leuke programma’s op. Maar die overload aan nietszeggende informatie die dag in dag uit ons hoofd binnensluipt, daar kan ik soms niet goed mee om. In een hypnotiserende kadans, iedere dag weer hetzelfde nieuws met een kleine variatie. En ik weet dan niet goed hoe die stroom buiten te houden. Zoveel informatie waardoor ik als mens niet echt groei. Het komt via kranten, het komt via het internet, het komt langs de radio, langs overal. En je moet op de hoogte zijn, van alles. En over alles een mening hebben. Maar dat gààt gewoon niet. Een hoofd is nu ook weer niet zo heel erg groot.

Ballast

Laatst was Willem Vermandere te gast bij Jan Hautekiet in het programma Touché, bij ons hier op Radio1. Hij sprak over alle ballast van de wereld. Dat hij zich regelmatig terugtrekt in zijn atelier en dan in stenen gaat hakken om tot de essentie te komen. Dat heb ik onthouden. Helaas heb ik geen atelier. Dus ben ik nu dus op mijn manier met die ballast omgegaan. Zoals je zandzakjes uit een luchtballon gooit om op te stijgen, zo heb ik het televisietoestel aangepakt.

Maar nu heb ik dus geen TV meer. Soms is dat jammer. Zeker als er een goeie film op komt. Dus vraag ik voortaan aan anderen om die dan op te nemen. Vervolgens ga ik bij hen kijken, drink hun thee op en hun wijn en doe me te goed aan hun taart en borrelnootjes.

@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus – mod

De wereld voor beginners

04 / 05 / 2011

‘Barbara! Baaaaaaaarbaaaaaaaaraaaaaaa!!!’ Daar hebben we het nieuwe buurmeisje Tilly weer. Bijna iedere dag na school passeert Tilly aan m’n huis voor een babbel over de ditjes en datjes van de voorbije dag, de koetjes en kalfjes des levens. Omdat de bel kapot is roept Tilly telkens heel hard door de brievenbus. Aan die rituele schreeuw is geen ontkomen aan.

‘Barbaaaaaraaaaaaaa! Waar blijf je???!!? Ik ben er!! Kom je???’
Tilly gaat naar een speciale school. ‘Wij hebben geen studiejaren. Het is een heel speciale school en dat komt omdat ik het beentje van de vijf altijd verkeerd schreef. Ik deed het beentje omgekeerd en dus moest ik naar de speciale school om de beentjes naar de goeie kant te leren schrijven en de juffrouw heeft me de eerste dag met haar eigen auto gebracht.’
Onze contacten zijn nog te piep om te kunnen inschatten wat voor een school het nu precies is. Maar iets bijzonders, zoveel is duidelijk.

‘Dag Tilly,’ zeg ik.
‘Kom je buiten spelen?’ vraagt ze.
Het is al heel lang geleden dat iemand nog een keer heeft gevraagd of ik kwam buitenspelen. Dus zeg ik zo nonchalant mogelijk, alsof dat de doodgewoonste zaak van de wereld is: ‘Okay, ik kom eraan.’

Tilly heeft stoepkrijt mee. We beginnen te tekenen en ondertussen kletsen we wat. Onze gesprekken verlopen altijd volgens een vast stramien. Alhoewel ze de antwoorden ondertussen al lang van buiten moet kennen, gaat ze haar vaste rij vragen nog een keer af.
‘Barbara, hoe oud ben jij?’ Ik zeg zo oud en zo oud.
‘Heb jij kinderen?’ Nee, geen kinderen.
‘Ben je getrouwd?’ Nee, niet getrouwd.
‘Ben je verliefd?’ Ja, verliefd dan weer wel.
‘Op wie?’ Ik zeg op die en die en zus en zo.
Ze knikt, duidelijk voldaan over de gegeven antwoorden.

‘Maar Tilly, hoe oud ben jij eigenlijk?’
‘Mijn verjaardag is op 12 oktober’, zegt ze met een plechtige klank in haar stem want voor kleine meisjes is een verjaardag nu eenmaal een uitermate plechtige aangelegenheid. ‘Ik ben geboren op 13 oktober 2001′.
De afgelopen dagen zijn de gebeurtenissen van 11 september 2001 weer meermaals door onze strot geramd.
‘Maar hè, dan heb jij 9/11 nèt niet meegemaakt! Dat is raaaaaaar!’
Tilly hoort het in Keulen donderen. Ik begin te vertellen over die dag in september nu bijna tien jaar geleden en de vreselijke gebeurtenissen toen en waarom ze Osama Bin Laden nu gedood hebben.

Ondertussen is Fatou er ook bijgekomen, het overbuurmeisje. Zij is wel op de hoogte van de gebeurtenissen van de voorbije dagen. Maar het verhaal over de torens was nog niet afgelopen, dus trekt Tilly aan mijn mouw: ‘Teken je eens hoe dat ging?’
Met krijt op de stoep teken ik twee flatgebouwen en een vliegtuig dat met een beetje fantasie oogt als een echt vliegtuig.
‘Het was zoals wanneer je met Lego twee torens bouwt’, zeg ik, ‘En je broer is boos en die gooit jouw torens op de grond, terwijl je er heel lang aan hebt gewerkt. Maar dan in het echt en zo erg dat het niet in je hoofd past.’

Fatou kent Osama. ‘Dat is die slechte met die baard die ze doodgeschoten hebben en dan in zee gegooid.’
Ik vertel dat ik naar Amerika ga binnenkort en dat je dan wordt gecontroleerd. Dat je daardoor geen lenzenspul of shampoo in je bagage mag doen, en dat dat dus min of meer door Osama komt. En dat je dan je schoenen ook moet uitdoen aan de douane en een hele vragenlijst moet invullen, allemaal door Osama.
Het codewoord Geronimo, voor de actie van afgelopen zondag, is Fatou ook bekend, van de boeken van Geronimo Stilton.
Ik pols ook even naar Obama. ‘Dat is de baas van Amerika. Hij is geboren zoals in de Lion King.’

Het huwelijk van vorige week is iets wat Tilly meer heeft beroerd dan de verhalen over Obama en Osama. Ze vond het heel mooi, dat van die prinses en de prins in de koets. Dus tekenen we een kasteel met een prins en prinses erbij. Als ze later groot is wil ze ook zo trouwen en ik mag dan ook komen naar het feest en Fatou ook. Ondertussen krijten we verder, denkend aan een prins en een prinses die gingen trouwen, geen stiefzussen, een mooie zus, die was er wel. De slechterik werd gepakt. De goeie was de baas. Sommigen van hen zullen nog lang en min of meer gelukkig leven. De ander ging dood wat duizenden anderen dan weer gelukkig maakte. Hoppa, klaar, uitgelegd.

@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus – mod

Ladri di biciclette

20 / 04 / 2011

Als je fiets in het Italiaans gestolen wordt, dan heeft dat nog enige allure.
A. Het klinkt beter.
B. Het doet denken aan de filmklassieker van Vittorio De Sica waarin een arme vader een fiets koopt van zijn laatste centen.

Als je fiets gewoon in het Nederlands gestolen wordt, is er heus niet veel aan.
Als dat ongeveer de zevende keer gebeurt, dan moet je een heel klein beetje huilen. En als dat bovendien met je gloednieuwe fiets gebeurt, dan gooi je daarbij ook nog een paar borden tegen de vlakte. Om extra treurnis nadien te vermijden dat het je mooiste borden waren, heb je voor zulke situaties best een speciale ‘boosdoos’ in huis.

Amsterdam. Vorige week.

Lekker weertje, net als nu. Staking van de trams. Ik moest op tijd op een afspraak zijn en de te overbruggen afstand was te groot om te voet af te leggen. Zonde van het zonnetje om een taxi te nemen.

‘Ping!’ weerklonk het toen in mijn verstand. Een fietsaanbieding in de buurt die ik de dag voordien had opgemerkt, flitste doorheen mijn brein.

Nog geen uur later verliet ik de fietswinkel met een prachtige grasgroene fiets, om het op z’n Hollands te zeggen: ‘voor een prikje’ gekocht.

Ik bejubelde mijn eigen verstand omdat het had bedacht dat je in geval van een tramstaking ook gewoon een nieuwe fiets kopen kan. Ja, soms is mijn verstand enorm vindingrijk.

Als een volleerd grachtenrijdster begon ik aan mijn tocht door de stad, de haren achter me aan zoevend in de wind.

Het grasgroene fietsje lokte reacties uit. Ik zag blikken van jaloezie. Terecht want grasgroen, dat wil je altijd zelf in huis hebben.

Geen week later

Maar nog geen week later ben ik mijn fietsje al kwijt. Gestolen. Gepikt. Gejat. In de bewaakte fietsenstalling van het Centraal Station in Antwerpen. Vijf dagen is hij bij me geweest. Hij had nog niet eens een naam. En al wat weet ik dat een fiets een object is en geen mens met gevoelens, ik vind het vreselijk zielig voor hem. Zomaar in handen vallen van een hoogst waarschijnlijk oneindig bruut stuk onbenul.

Maar het kan nog sneller. Een paar jaar geleden kreeg ik een tweedehands fiets van mijn grootmoeder. Die werd al na één dag gestolen in diezelfde bewaakte fietsenstalling van Antwerpen Centraal.

Toen ik vervolgens bij de beambte van de fietsparking aanklopte met de vraag of hij misschien wat gezien had, zei die laconiek: ‘Dat is hier altijd ‘t zelfste, madameke, pakt u der gewoon nen andere.’ Een paar maand geleden doken er ineens zo’n 600 fietsen op, allemaal gestolen in de ‘bewaakte’ fietsenparking van Antwerpen Centraal. Maar niemand had wat gezien. Ha nee.

Goed slot?

‘Heb je je fiets wel vastgemaakt?’ vroeg een vriend nadat ik over het jammerlijke verlies van mijn nieuwe groene fietsje vertelde. Of ik hem wel had vastgemaakt??? Als een kralenketting heb ik het slot om zijn nekje gelegd.

‘Was het wel een goed slot?’ vroeg de volgende. ‘Tsja, je moet je fiets daar ook niet zetten,’ zei nog iemand anders, ‘Dat weet je toch!’

Helaas is de fiets mijn vervoermiddel en kan ik die niet overal mee naar binnen nemen. Een bewaakte parking lijkt me geen slechte oplossing.

Topper onder de reacties was een vriendin die me probeerde te sussen met de gedachte dat er nu misschien ergens in Albanië iemand voor een prijsje mee zou kunnen rondrijden die zich anders geen fiets zou kunnen veroorloven.

Kijk, als ik een fiets koop, dan doe ik niet aan liefdadigheid. En al ben ik financieel net iets beter bemiddeld dan de padre uit ‘Ladri di biciclette’ wiens laatste centen naar zijn fiets gingen, het groeit me nog altijd niet op de rug.

Frusterend

Zulke reacties krijgen me werkelijk op mijn paard. Enfin, ik heb geen paard, zou ‘k wel willen maar dat vraagt zoveel onderhoud, stal uitmesten, hoefsmid etc. Dus paard bij wijze van spreken.

Ik vind ze al net zo frustrerend als de verzekeringscontroleur die me na de inbraak in huis de les kwam spellen dat ik zo’n type was dat alles in het leven nogal licht opnam. En dat het nu door inbraken als die bij mij was dat andere mensen een hogere verzekering moeten betalen. Om kort te gaan, dat ik de maatschappij schade had berokkend doordat er bij mij ingebroken was.

Ik kon hem niet beginnen uitschelden toen, want anders had ik niets terugbetaald gekregen van het gestolen goed en was ik nog meer de dupe geweest. Maar nadien heb ik de verzekeringspapieren wel ritueel behandeld met kopspelden en een dikke zwarte alcoholstift.

Dat vind ik nu zo oneerlijk

Als je fiets gestolen is, is dat omdat je er vast nonchalant bent mee omgesprongen.

Als er ingebroken is, krijg je door de verzekering op je donder. Ik ga nu een nagel nemen en mijn fiets tatoeëren, met een voodoovloek erop voor een volgende mogelijke fietsendief. En, oh wee, degene die het probeert, want voodoo werkt altijd.

@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus – mod

Het mysterie van de cupcake

06 / 04 / 2011

Somtijds ben ik niet zo hip.
‘k Zou het heus wel willen zijn, maar ik ben meestal niet zo hip en ook al niet zo mee.
Dat heeft niets met merkkleding te maken van Miu Miu, Walter of Gucci,
ook niet met de muziek die wordt geluisterd en de juiste serie al dan niet bekeken.
Als je als jonge vrouw vandaag hip wil zijn, dan bak je cupcakes en brei je spreien of haak je kleertjes voor de kleine.

Maar er is iets dat me ontgaat, ergens is er een taal die ik niet spreek want ik begrijp het mysterie van de cupcake niet.
Vriendinnen komen samen en brengen de avond dan al breiend en hakend door. En meestal wordt het ritueel bezegeld door te zeggen dat het ‘heel gezellig’ was.
En voor verjaardagspartijtjes bakken ze cupcakes. Een cupcake is niet zo nodig lekker maar je kan ‘m wel heel mooi versieren.
Daarin kruipt heel wat tijd.
En ik ben blij dat er rondom mij mensen zijn die daarin willen investeren. Maar mij ontgaat het helemaal.

Nu heb ik wel een handwerkverleden

Menige bonsaï-parelboom kwam dankzij mijn kinderhanden op de wereld. Hoewel puur esthetisch het resultaat meer dan twintig jaar geleden al uitermate twijfelachtig was, zette ik toch door.

Ook origami lag me nauw aan het hart. Niet alleen kraanvogels maar ook ballonen in papier heb gevouwen, die dan als kerstbal konden dienen. Zelfs kleine schalen waarin chips of borrelnootjes konden, plooide ik als een fluitje van een cent uit een vierkanten vodje papier.

Het summum der handwerknijverheden was de kruisjessteek. Bijzonder gedreven was ik in het stuwen van naald en draad door de witte katoenen lap met gaatjes, speciaal gemaakt om de kruisjessteek tot zich te laten komen. Dat kon zich uiten in een klein figuurtje, een appel of citroen maar ook in de horoscooptekens, al naar believen.

Ergens onderweg is de liefde voor het handwerk me jammer genoeg ontglipt. Ik weet echt niet meer waar, maar ik ben ze kwijt geraakt. Helaas kwijtgeraakt zou ik durven zeggen want als ze gewoon bij me gebleven was, ik was nu hip geweest en bij de tijd.

Er is een vriendin, ik zal haar voor de gelegenheid Lizzie noemen. Zij haakt en breit al sinds ze zich kan herinneren. Voor haar is het een natuurlijke staat van zijn die ik zeer waardeer, zeker als dat cadeaus oplevert in de vorm van gehaakte taart mét gehaakte verjaardagskaars, gehaakte bloemen of gehaakte erwten en wortelen. Met als hoogtepunt natuurlijk de gehaakte cupcake, een cadeau voor m’n laatste verjaardag. Het gehaak van Lizzie maakt je blij.

Maar dan zijn er de vrouwen rondom je die – en dat manifesteert zich in hoofdzaak nadat ze een kind gebaard hebben – ineens gaan handwerken maar die nooit eerder naald en draad hebben vastgehad, die in een verleden als rockchick alles wat met handwerk te maken had, luidruchtig hebben verfoeid. Maar de nieuwe liefde voelt aan als een grote ontdekking die ze in de meeste gevallen liever al veel eerder hadden gedaan want dan hadden ze al veel meer kunnen maken. De meest hardnekkigen gaan het zelfs commercialiseren via het internet. Voor de vriendschap is het best er zo nu en dan wat van te kopen.

Het lijkt op een onvervuld verlangen naar de Tiny-boeken van weleer, waarin alles goed was en zoet. Op die manier wordt het bakken van cupcakes en het naaien, haken en breien door deze jonge vrouwen gekoesterd.

Maar ik voel dus dat ik iets mis. Er is een taal die ik niet spreek. Ik ben afgunstig.

Misschien heb ik in het verleden al een pioniersrol vervuld door ooit zo gedreven te zijn in kruisjessteek. En kan ik nu maar beter aanvaarden dat mijn tijd voorbij is.

Natuurlijk ben ik benieuwd naar mijn eigen staat van zijn mocht het ooit tot een herwaardering van diezelfde kruisjessteek en de parelbonsaïboom te komen.

@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus – mod

Diertjes

23 / 03 / 2011

Een koe kan me heel kwaad maken.

Koeien zijn mooie beesten. Ze hebben mooie ogen met lange wimpers. Maar ze moeten je niet aanstaren met een blik die nog waziger is dan heel Londen samen in de ochtendlijke mist. Aanschouw je er een die jou bekijkt als van de hand gods geslagen, dan wil je een schop tegen haar groteske kont geven en roepen: ‘Allé vort, Cecilia, kom toch eens op voor jezelf! Je bent het waard! Doe iets!’ Bestonden er dienstencheques voor, je stuurde haar direct op assertiviteitscursus.

Een deel van Japan ligt in puin. En daarover worden wij bericht via allerlei kanalen. Door de gebeurtenissen komen af en toe ook de plaatselijke koeien in de kijker. Gisteren las ik in een Nederlandse krant een artikel waarin de heer René Huiskamp, radiobioloog aan het NRG (Nuclear Reserch and Consultancy Group) in Petten hoopvolle uitspraken deed omtrent de situatie van de dieren in het rampgebied. (Let hier vooral op het blije toeval van de naam Petten). Daarin verklaarde hij dat dieren wel eens zouden kunnen profiteren van de problemen met de kerncentrale. ‘Voor de mens is Fukushima nu een te mijden gebied maar dieren hebben veel minder last van de radioactiviteit’ zegt hij in het interview. ‘In Tsjernobyl was er enige tijd na de ramp een enorme toename van herten en vossen. Die gedijen er nog steeds beter dan in andere gebieden, omdat ze er rustig kunnen leven, niet gestoord door mensen die jagen, ontbossen en branden veroorzaken. Het is een soort paradijs geworden voor dieren.’ De meeste dieren zijn volgens Huiskamp minder gevoelig voor radioactieve straling dan mensen. ‘Wel moeten mensen oppassen met melk van koeien die grazen in de buurt van Fukushima. Die kan radioactief besmet zijn.’

En op die manier is Cecilia weer de dupe. Want hoewel het dierenrijk dus wel zou varen bij de gebeurtenissen, zal het product van de koe, haar eeuwige trots, toch bedreigd zijn.

Tsunamigewijs worden we dus overspoeld door videobeelden uit Japan. Maar wat ik me afvraag is hoe het komt dat, ondanks de immense tragiek van al die beelden, de kijker pas tot tranen toe geroerd wordt bij het zien van het filmpje over de twee honden. Het lokte wereldwijd al heel wat reacties uit, omdat een ploeg reporters wel commentaar geven als ze de honden aantreffen maar verder niets ondernemen om ze te helpen. Een onderschrift dat de twee dieren gered zouden zijn, heeft de gemoederen tot bedaren gebracht. Wat zien we precies? Twee kameraad-honden in het midden van de ravage, de ene waakt over zijn gewonde vriend, zoekt hulp voor hem bij de televisiereporters die passeren, merkt dat daar niets te rapen valt, rent terug naar de ander en legt een troostende poot op hem.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we dit met ons verstand erger vinden dan de schrijnende beelden van de Japanse bevolking zelf in nood. Het gaat om het gevoel dat het oproept. Hoe komt het dat wij als mens zo week worden door dierenleed? In een film mag in een veldslagscène een heel leger worden afgemaakt maar bij het enige paard dat over zijn poten struikelt en na een schotwonde ineen stort, wenden we onze blik af. ‘Alles van waarde is weerloos’ zei Lucebert. De waarheid moet ergens in die richting liggen.

Om maar te zwijgen over de dood van ijsbeer Knut. Die had de Berlijnse Zoo wellicht liever in stilte aan zich laten passeren. Wat kwam het de zoo marketinggewijs toch goed uit dat er een beer, een beer, een beer nog wel, het eeuwige symbool van de stad, de harten van het publiek veroverde.

24 Maart 2007, dus op een dag na 4 jaar geleden, werd hij voor het eerst aan het publiek voorgesteld en weerklonk er wereldwijd een vlaag van ‘Ooohs’ en ‘Aaahs’ bij het aanschouwen van zoveel schattigheid.

Op beelden van een paar minuten voor zijn dood staat hij eindeloos toeren om zijn eigen as te draaien. Het is niet om aan te zien.

Maar Knut krijgt een standbeeld in de Berlijnse Zoo. Om zijn wrange einde toch iet of wat glans te geven.

Laten we ervan uitgaan: de twee Japanse honden werden verzorgd en ze krijgen te eten. En als het anders is, we willen het niet weten.

Weer zo’n vervelende vrouwendag…

09 / 03 / 2011

Stel dat Jezus of Mohammed niet Jezus of Mohammed hadden geheten maar bijvoorbeeld Monica of Joëlle.

Hoe zou de wereld er dan uitzien vandaag?

Een mogelijkheid…

Hoe Belgen omgaan met de crisis

23 / 02 / 2011

Fred: En voor welke gazet is het, meneer? … Wij komen hier iedere winter, ja ja, meneer… Een week of vier, dat durft al eens al te variëren… All inclusive, ja ja, zeker meneer…

Veronique: En dat is hier ondertussen een beetje onze tweede thuis geworden. Eel
vriendelijke mensen, hè schat. Echt eel vriendelijke mensen.

Fred: En Egypte is het altijd goed weer ook. Kijk, meneer, als je naar Spanje gaat, dan heb je toch kans dat het regent maar hier hebben wij dus nog nooit slecht weer gehad.

Veronique: En ook eel lekker eten, ja ja. Hè schat, zo’n uitgebreid buffet iedere keer, echt eel lekker.

Fred: Wij vinden het dus ook echt knap wat die mensen hier voor hun land gedaan hebben. Maar wij hadden al lang gezien dat die zich niet zomaar gingen laten doen, ha nee. Ondertussen beginnen we ze hier na al die jaren ook al wat te leren kennen hè, de Egyptenaren.

Veronique: En dat zijn dus echt eel vriendelijke mensen. We waren nu wel eel blij dat de vliegtuigen terug vlogen want Griekenland of zo dat zegt ons toch niet veel…

Fred: Ze hebben dat hier gisteren in de bar van totel nog zitten vertellen over hun familie die er dus wel bij was op dat plein in Caïro. Ik denk nu wel dat als er bij ons zo’n crisis zou zijn dat ik dan ook de straat op zou komen… Daar ben ik nu toch echt wel van overtuigd…

Veronique: … Nee, toen konden wij niet, toen hadden wij net een familiefeest… Maar als er de volgende keer nog eens zo’n betoging is, dan gaan wij zeker meedoen. Maar allé, nu wel geen tien dagen aan een stuk, hè schat. Want kijk, meneer, de Fred is net geopereerd aan zijn hernia. Dus tien dagen op de Grote Markt in de kou, dat komt niet goed. Dan kunnen we beter nu al de ambulance bestellen. (Lacht) En dat kan dan niet de bedoeling zijn. We hebben nu wel iets over voor ons land maar een zottekot moet het niet worden, hè meneer.

De wet is de wet

26 / 01 / 2011

Ik denk dat ik zestien moet geweest zijn, of vijftien misschien, toen ik de volgende daad van verzet pleegde. Het was na schooltijd, vier uur en nog wat, toen mijn moeder opeens zei: ‘Ik moet weg nu en zou graag willen dat jij spaghetti maakt tegen dat iedereen thuis is.’

Dat had ze niet moeten zeggen. Mijn hersenen blokkeren als ik iets moet. Hoe zacht die opdracht toen ook werd gegeven, en hoe terecht ze ook was -een dochter van zestien kan al eens een potje spaghetti koken, ja ja – ze gaf kortsluiting in mijn bovenkamer. Ik ‘moet’ echt niet graag. Laat staan in volle puberteit.

Een protestactie

In mijn gedachten ontsproot meteen een wild plan voor een protestactie met spandoeken en toeters voor de beurs in Brussel. Zo boos en opstandig werd ik van die spaghetti-gedachte.

Waarom moest ìk dat doen en niet mijn broer of mijn vader? En had ik niet al een hele dag op school gezeten, was dat al niet erg genoeg, mocht ik dan op z’n minst niet even een beetje ontspanning! Het voelde alsof het grootste onrecht me werd aangedaan, alleen maar omdat er me iets werd opgelegd. De beurs in Brussel bleek al snel geen haalbaar plan dus heb ik toen met ingehouden emotie de volgende oorlogsverklaring uitgesproken tegenover mijn moeder: ‘OK, jij wil spaghetti, jij krijgt spaghetti.’

Ja, ik heb toen gekookt.
En netjes de tafel gedekt.
En daarbij de glazen ondersteboven op tafel gezet.
En de borden ondersteboven.
En ook de kan water ondersteboven.
En de kom pasta ondersteboven.
En de pan rode saus ondersteboven.

De oorlog die volgde was in overeenstemming met de verwachtingen.

Autoriteitsprobleem

Ik hou niet van autoriteit.
Ik heb vooral een probleem met gezag van mensen die ik het niet waard vind om gezag over mij uit te oefenen.
En gezag dat zich alleen maar beroept op regeltjes en wetten maar verder niet gefundeerd is.

Vooral in het geval van de politie kan dat momenten van intense woede en een immens gevoel van onmacht opleveren. Het politiebeleid haalde gisteren nog het nieuws. Want wat blijkt nu? Dat niet alleen in Nederland maar ook hier bij ons agenten jaarlijks een bepaald quota moeten halen op gebied van boetes. In het Radio1-programma Peeters en Pichal kwam dit aan bod. In Lier moeten ze 20 boetes per jaar uitschrijven, in Antwerpen is het gemiddelde de norm. Wat de exacte feiten daarachter zijn in het midden gelaten, het is zo dat sommige agenten je verschrikkelijk boos kunnen maken. Niet alleen omwille van de soms boetes die ze uitdelen maar vooral ook de manier waarop.

Wettenfretter

Ik heb helemaal niets tegen de politie. Maar het is zonde dat het een beroep is dat, naast een paar zeer gemotiveerde mensen, ook de wettenfretter zo hard aantrekt. Oh wee, als zij dan ook nog eens worden aangemoedigd in die onhebbelijke eigenschap.

Een voorbeeld. Maar zo heeft iedereen wel zijn eigen verhalen. Het meest recente. Deze week hebben een goeie vriendin van me en haar vriend een boete gekregen omdat ze geen gordel droegen toen ze onderweg waren met de auto. Volkomen terecht in het geval van de man. Wat minder in het geval van die vriendin. Haar buik stond zowat op ontploffen van de baby die erin zat. Hoogzwanger was ze. De kleine is er ondertussen, dus ze was echt wel héél erg zwanger. Niet zo’n beetje een twijfelgeval om door een romantisch verhaal van een toekomstige moeder aan een bekeuring te ontsnappen.

Helaas was de agent van het type waarvoor de zin ‘Dura lex, sed lex’ geschreven is.
‘Heb je een zwangerschapsattest?’ vroeg hij toen.
De vriendin keek verontwaardigd naar haar buik terwijl ze nee knikte.
‘De wet is de wet’ en toen haalde de agent zijn materialen boven die wezen op wat zou volgen.
Voor het welzijn van de baby hebben ze geprobeerd om de rust te bewaren. Hij is ondertussen geboren en verkeert in goeie gezondheid.

De kans is groot dat hij later een anarchist wordt.

@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus – mod

Kris is een beetje boos

12 / 01 / 2011

Verrast worden
Ik ben werkelijk iemand die vol vooroordelen zit over anderen. Een heel arsenaal heb ik ervan klaar.
De kans is groot dat ik bij een eerste ontmoeting over u denk: ‘Jezuschristus wat bent u saai en burgerlijk en zo vervelend.’
Of het kan ook zo: ‘Wie we daar hebben, weer zo’n hippe Gentse met een froefroe die denkt dat ze het centrum van ons melkwegstelsel is.’
Of: ‘Jeetje, zo lelijk als u bent, dat zouden ze toch echt moeten verbieden.’ (Dat is dan wel in een heel slechte bui. Dat denk ik nu wel niet zo vaak.)
En natuurlijk vind ik mezelf fantastisch en heb ik nooit commentaar op mijn eigen doen en laten:)

Het goeie is dat ik vaak merk dat ik het mis heb. En dus met de regelmaat van de klok aangenaam verrast wordt door anderen. Omdat ze veel straffer uit de hoek komen dan ik dacht met mijn kop vol vooroordelen.
Want veel Gentse dames met een froefroe zijn bijvoorbeeld zeer toffe wijven, om maar iets te zeggen.
Of iemand die enorm grijs en beige oogt, is misschien wel een arts zonder grenzen wiens koffers altijd klaar staan om acties te ondernemen waar ik in mijn stoutste dromen nog niet eens aan zou durven beginnen.
Ik wil maar zeggen, fijn is dat, zo verrast worden.

Boos op Youtube

Deze week is dat nog eens deftig gebeurd.
En daar heeft de heer Kris J. voor gezorgd.
Ik heb Kris al een paar keer ontmoet op het werk. Hij is een VRT-collega die wel eens iets doet voor de programma’s waarvoor ik ook al werkte. Hij was me nauwelijks opgevallen.
Het is nu niet dat ik over hem heel vervelende dingen heb gedacht, zoals eerder vermeld. Maar ook weer geen spannende. Dat moet ik dan eerlijk toegeven.

Wat heeft de in mijn ogen eerder onopvallende heer Kris J. nu gedaan? Hij heeft een filmpje van zichzelf gemaakt waarin hij zijn beklag doet over de Belgische politiek en het uitblijven van een regering. Dat heeft hij op You Tube gezet.
Dat doet hij overtuigend en eerlijk.
En neen, dat had ik dus niet van hem verwacht.
Daarvoor moet je behoorlijk wat lef hebben.

Zie je mij al?

Bijgevolg schaam ik me een beetje. Want ik maar zagen en maar mopperen dat het een schande is dat die politici de papschool niet eens waard zijn, maar zie je mij al een camera ter hand nemen, voor mijn vichy roze geruite behangpapier gaan staan en dat op You Tube zetten? My god, nee! Het risico om op mijn bek te gaan op die manier, dat ga ik niet nemen, ho maar. Liever steen en been klagen maar vooral geen fluit doen ondertussen.

In zijn filmpje roept Kris J. op tot actie. Dat we op straat moeten komen, zegt hij kwaad.
En dan volgt er een hele lijst aan recente politieke ontwikkelingen die hem ergeren. Terecht ergeren. Daarom is het dat hij een oproep doet tot actie. En hij vraagt zich af waarom de bevolking niet reageert.
Dat heb ik me ook al afgevraagd. En ik merk dat het antwoord bij mezelf begint. Omdat ik te lui ben om te gaan betogen. Omdat ik op zondag liever loom in de zetel hang met een kriekentaartje en een DVD dan in de druilerige regen door de Brusselse straten te gaan lopen.

Betoging

Maar het is goed te maken. Zondag 23 januari is er een betoging in Brussel.

De organisatie roept op om witte kleren te dragen. Ik heb geen witte kleren. Ik vind witte kleren niet mooi. Tenzij voor in de zomer. Maar je kan in januari moeilijk in een zomerjurkje de straat op. Een eerste geweldige reden om niet te gaan.
En ik wil ook helemaal niet dat iemand me oplegt wat ik aan moet trekken. Naar verkleedfeestjes ga ik ook niet. Als ik nog maar dènk aan een verkleedfeestje word ik al agressief. Ik hou van verkleden maar alleen als ik er zelf zin in heb. Dus dat verplichte wit steekt me tegen.

En een betoging is dat niet zoiets met heel veel volk? Naar een festival ga ik ook niet graag omdat daar veel te veel mensen op een hoop bij elkaar zijn. Dus zou ik de massa wel trotseren voor een bende politici die wellicht op zondagnamiddag zelf op een familiefeest zitten? Vooruit, nog een reden erbij.

Wat een gelul Rottiers!

Kris Janssens heeft gelijk. Die zondag moet jij gewoon naar het centrum van Brussel.
Jij gaat betogen, of je daar nu zin in hebt of niet. Voor ‘Our great country’ zoals de aankondiging van de betoging het zegt. Zo is dat. En daarvoor moet je al eens de straat op. Ik denk dat Kris Janssens er ook zal zijn.

PS: Net lees ik ook dat Benoît Poelvoorde de mannen oproept hun baard te laten groeien als teken van solidariteit voor ons land. Stel nu maar eens dat België wordt opgesplitst. Dan is Benoît bijvoorbeeld al geen landgenoot meer. See you de 23ste Benoît.

@Allen: Barbara Rottiers schrijft deze blog in persoonlijke naam; reageren impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums – mod