Weblog Barbara Rottiers

Pleidooi voor een dubbele krant

12 / 03 / 2010

‘Het loopt serieus fout in Borgerhout,’ zo kopt een artikel in Gazet van Antwerpen vandaag.
Ik woon in Borgerhout.
En ik ben nieuwsgierig.
Dus wil ik wel eens weten wat nu precies zo serieus fout gaat in de buurt waar ik woon.

Helaas pindakaas

M’n theewater zegt natuurlijk al op voorhand dat ik dat beter niet kan doen, dat artikel lezen. Dat dat mijn spijsvertering, die nogal snel in de knoop gaat door ongenuanceerde berichten over de wereld waarin we leven, niet ten goede zal komen. Maar helaas pindakaas, nieuwsgierigheid wint het meestal van gezond verstand en daar dwaalt mijn lodderig oog al over de tekst:

“De dagen dat op de spoed van het Stuivenbergziekenhuis geen slachtoffer van een messengevecht wordt binnengebracht, zijn zeldzaam. Borgerhout en omgeving zit met een serieus veiligheidsprobleem… Straffe getuigenissen van medisch personeel maken duidelijk dat de bezorgdheid van de bewoners terecht is…”

Kijk eens aan, hier zie, hier is het dat ik woon! Ho maar!

Nooit bang geweest

De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik nog nooit bang ben geweest in Borgerhout.
“Ja maar, jij bent er zo een die ook zo nodig in haar eentje de Kalahari wil inkruipen. Het is zo’n slag van mensen natuurlijk dat daar gaat wonen”, is dan de reactie van een familielid dat dicht bij me staat maar in een landelijke gemeente woont en ook niet altijd snapt wat ik in Borgerhout te zoeken heb. Iemand die zijn mening over Borgerhout ook maar heeft gevormd op basis van gelijkaardige artikels als dat in Gazet van Antwerpen.
OK, het is misschien waar van die Kalahari maar verder zie ik mezelf echt wel als een gemiddelde bangerd.

Misschien ben ik gewoon te blond om nog nooit iets van al die geweldzaken in het echt te hebben opgemerkt? En moest ik eigenlijk al lang bang zijn maar had ik dat gewoon nog niet door? En is de eenvoudige conclusie dus dat ik gewoon te dom en naïef ben om bang te zijn. Dat zou zeker kunnen.

Op de site van GVA wordt de tekst vervolgens aangevuld met reacties van lezers. O.a. een man uit het mondaine Schoten uit zijn ongenoegen over Borgerhout. Er is zelfs een mevrouw uit Knokke-Heist die het artikel bijtreedt. Iemand uit Knokke-Heist nog aan toe, het Schoten van honderd kilometer verderop, waar dat ze zich mee moeit!

Niet rooskleuriger dan het is

Natuurlijk gaat het er helemaal niet om dat ik Borgerhout rooskleuriger wil afschilderen dan het is. Lang niet. Het begint ermee dat we hier spreken over een stad en in een stad heb je sowieso meer problemen wegens simpelweg meer mensen bij elkaar.
Rooskleurig, neen, het is absoluut niet prettig als ze je pas geschilderde voordeur intrappen om in te breken. Die roze bril ben je zo kwijt.

Of als vrienden uit de buurt wiens kleuter in september voor het eerst naar school mag, je haast met tranen in de ogen vertellen: ‘Ons Anna kan niet naar de school waarop we hoopten. Ze moet naar die andere vlakbij, een concentratieschool.’ Jonge ouders die allebei hard werken, zich netjes gedragen, niet alleenstaand zijn, noch arm, noch gehandicapt, noch allochtoon, dus moet kleine fijne Anna naar een concentratieschool want de goeie school moet voorrang geven aan moeilijke gevallen. Het zal zeker genuanceerder zijn dan ik het hier schrijf, absoluut, maar dat er iets schort aan het schoolsysteem en dat dat probleem zich vooral in buurten als de ‘onze’ voordoet, dat kan niemand ontkennen. Je zou voor minder je boeltje pakken en twintig kilometer verderop gaan wonen zodat je kind naar een deftige school kan, het is te zeggen, naar een school waar het op z’n minst toch de naam van een paar kinderen in de klas kan uitspreken.

Dus neen, rooskleurig, allerminst. En als je voor de zoveelste keer door een nogal zuiders rijdende chauffeur van je fiets gegooid wordt, vertoont zelfs een vredelievend iemand als ik ook niet mis te verstane tekenen van agressie.

De eenzijdigheid

Maar het is die eenzijdigheid van negatieve verhalen die me zo geweldig op m’n paard krijgt. Een negativiteit die ook liefst nog eens breed wordt uitgesmeerd in de krant. En de indruk daarbij dat de journalist, in geval van het artikel in Gazet van Antwerpen, er duidelijk ook nog een soort van zelfgenoegzaam plezier aan gehad heeft om mij als lezer angst aan te jagen.

Daarom zou ik dus zou een dubbele krant willen. Een die de waarheid wat in het midden laat.
Een die zulk een artikel countert door dan bijvoorbeeld op de rechterpagina iets te vertellen over m’n geweldige buurvrouw Claudia die zich bezighoudt met de organisatie van de feestjes in de straat. Over Claudia die deze winter heeft gezorgd dat er overal, bij wijze van affiche voor de nieuwjaarsreceptie, tekeningen van sneeuwmannen voor het raam hingen, gemaakt door de kinderen in de straat. En dat we daar eigenlijk allemaal een beetje ontroerd door waren, want wie had dat nu verwacht? Dat iedereen -op drie gezinnen na- die tekening ook effectief voor het raam zou hangen? Meer nog, de lente hangt in de lucht, en ze hangen er nog.

Dus ja, graag een dubbele krant, die tegenover ieder ongenuanceerd negatief verhaal vol geweld en verderf, tenminste één even ongenuanceerd positief verhaal stelt, vol welriekende hyancinten en gele krokussen in de Borgerhoutse bloembakken en lieve allochtonen die hele dagen couscous klaarmaken en je dan iedere keer weer uitnodigen en omdat ze zo vriendelijk zijn, je het dan niet durft laten om op de uitnodiging in te gaan terwijl die couscous natuurlijk al lang je strot uitkomt. Dan zal de waarheid zich wel ergens in het midden bevinden.

Om de journalist te plagen

En nog meer vraag ik me af waar diegene die een artikel publiceert met de kop ‘Het loopt serieus fout in Borgerhout’ dan zelf wel mag wonen. Of hij misschien al eens een maand in Borgerhout heeft gelogeerd? Of het allemaal maar heeft ‘van horen zeggen’?
Het kan haast niet anders of het moet iemand zijn die ergens in een gemeentelijke nieuwbouwverkaveling woont. (Ja, ik barst natuurlijk even goed van de vooroordelen, maar dat had je toch niet anders verwacht!)

Gewoon om die journalist te plagen krijg ik terstond goesting om naast hem te gaan wonen. Man, man, man, wat zou ik blij worden van zo’n Vlaamse verkaveling in een dorp op dertig kilometer van een grote stad, vlakbij de oprit van de autosnelweg want dat is toch wel heel makkelijk. Op zaterdag naar de supermarkt. ’s Zondags het gras afrijden. En het gras dan precies afrijden tot de grens van de buren. Zodat iedereen goed kan zien dat jouw gazon gedaan is, en die van de buren, die ellendige slonzen, daar staat het gras weer vijf centimeter hoog.
En dan ga ik op een nacht eigenhandig met een schaar in het grasveldje van de buurman-journalist de letters ‘ONNOZELAAR’ spriet voor spriet uitknippen. Dan heeft hij pas een onderwerp om over te schrijven de volgende keer.

@Allen: uw reactie is welkom als u zich houdt aan de regels voor deelname aan onze discussieforums -mod

Brief aan Frida Kahlo

26 / 02 / 2010

Brussel, 26 februari 2010

Beste Frida,

Ik heb je net gezien. Vanavond in Brussel. Maar jij zag mij niet. Dat is niet erg. Het was gewoon een genoegen om nog een keer wat van je te vernemen.

In Bozar in Brussel hangen nu een paar van je werken en vanavond speelde daar ook een documentaire over je leven. Het bekijken daarvan was als het weerzien van een oude vriendin. Zulke ontmoetingen geven me steevast een jubelhart. Verrukt ben ik door jou. En met verrukt bedoel ik dan zoiets als verliefd maar dan zonder het ‘verliefd’. Snap je? Al is het resultaat wel min of meer hetzelfde, een opstoot van energie, telkens weer.
Zeker als je je weelderige bontgekleurde gewaden draagt. En als ik dan echt mag kiezen dan heb ik je nog het allerliefst tegen die groene achtergrond met gele bloemen, zoals op de bekende foto van Nick Muray. Of zoals op die ene foto met een sigaret in je bek, duidelijk verveeld en verteerd door heimwee naar je thuisland, maar wel met een rode jurk aan, op een dakterras in New York.
Een natural high krijg ik van zoveel uitbundige schoonheid.

En omdat ik heel wat van jou krijg, zonder ooit iets terug te kunnen geven, dacht ik, vanavond schrijf ik een brief aan Frida. Dan zijn we toch een beetje effen, nietwaar?
Het liefst zou ik je schrijven met vulpen en inkt. Maar omdat m’n handschrift er nogal een van het warrige type is, lijkt dat me niet zo’n best idee. Tenslotte lezen er misschien nog een paar mensen mee – ik hoop dat je dat niet erg vindt.

De keren dat ik je ben tegen gekomen, het waren altijd kleine feesten.
Het moet begonnen zijn op de overzichtstentoonstelling van jouw werk in Tate Modern. Ik ging niet voor jou, ik ging voor Tate waar ik toen nog niet eerder geweest was. Maar wat een coup de foudre toen ik je schilderijen en schetsboeken zag! Pats boem, liefde op het eerste zicht. Alle weerstand overboord. Ik kon alleen nog maar jouw verhaal en kleuren opzuigen als cafeïneshotjes voor de ziel.
Niet veel later zou ik jouw huis bezoeken in Mexico City, een oase van rust midden in de heksenketel van de stad. Het zag er precies uit zoals in de film die Salma Hayek over je heeft gemaakt.
En zoveel jaren later laten mijn eigen woonst en kleerkast trouwens duidelijk sporen van jouw invloed vermoeden.

Hoe je van je leven een kunstwerk hebt gemaakt, dat is het vooral wat ik zo straf vind. Ondanks alle tegenslagen moet je een ongeremde energiebom geweest zijn. Ongetwijfeld geregeld tot vervelens toe. Als de mensen rondom je eindelijk eens een rustige avond hadden en een boekje wilden lezen, was jij waarschijnlijk degene die weer zo nodig de boel op stelten moest zetten. Feestelijk, dramatisch, kleurrijk en glorieus. Ondanks alle pijn die je dus gehad moet hebben, gespiest als een saté als je was, laten we het zeggen hoe het is.

Eerlijk gezegd denk ik dat ik schrik van je zou hebben, mocht ik je nu ergens in het echt tegen het lijf te lopen, schrik van jou en je eigenzinnigheid. Te veel bewonderen zou ik je, om zoveel lef dat je had in het leven.

Iggy Pop schreef alweer vele jaren geleden het nummer, ‘Lust for life’. Maar zelfs dat verbleekt, hoewel de man het niet zal willen geweten hebben, bij jouw drive in het leven. Het verdient een gouden medaille, de manier waarop jij iedere moment greep om voluit in de dag te staan in plaats van hem onvervuld te laten passeren.

Beste Frida, bij deze wil ik je plechtig danken voor alle inspirerende en intense werken die je aan de wereld hebt gegeven.

En de volgende keer dat ik je zie, dan trek ik mijn gebloemde, volledig met kruisjessteek handgeborduurde rok aan, gemaakt door de inwoners van een afgelegen bergdorp in Noord-Viëtnam, daarop een oranje vest en als schoeisel rode laarzen. Ik heb zo’n voorgevoel dat jij daar blij van zal worden.

Viva la vida!

Groet,
Barbara

@Allen: uw reactie is welkom als u zich houdt aan de regels voor deelname aan onze discussieforums – mod

Nu Benny is doodgegaan

10 / 02 / 2010

Drie weken geleden is mijn Benny doodgegaan. Benny was mijn auto, mijn bakje, mijn onafhankelijkheid, mijn alles.
Een witte Renault Kangoo met rode strepen achteraan. Een bakje zoals ‘de mannen van de gemeente’ waardoor ik meermaals bijna verkeerde vrienden heb gemaakt: Witte Tornado’s of andere ruimdiensten die door het uitzicht van mijn voiture verkeerdelijk dachten dat ik een collega was en me dan luid toeterend passeerden. Als ik ergens op straat een andere Renault Kangoo tegenkwam, dan parkeerde ik mijn Benny daarvoor of daarachter. Kwestie dat ze dan als oude familieleden even konden bijpraten.

Ontploft

Het is maar om te zeggen dat ik hem goed heb gesoigneerd.
“Je had hem beter wat vaker naar het groot onderhoud gebracht”, zei iemand. Dat zou kunnen.
Hoe dan ook, mijn Benny is nu dood.
Ineens ontploft, zomaar in het midden van de weg.
Misschien was die ontploffing niet zo dramatisch als ik me nu herinner, maar in ieder geval, het was toch met stoom en al uit de motorkap.
“Hij heeft verder niet veel pijn gehad”, zei de garagist, “Het is allemaal snel gegaan”. Appreciatie alom voor een garagist die je gevoeligheden begrijpt.

Niet zo emotioneel

Sommigen vinden dat ik daar niet zo emotioneel over moet doen, dat het ‘maar’ een auto is – pardon, was.
Maar mag ik misschien gewoon eens goed huilen om mijn Benny, mag dat asjeblief?
Ik voel die behoefte en dan is het beter om te huilen als je denkt dat je moet huilen want anders krop je alles op en dan krijg je de kanker op je zestigste.
En daar heb ik geen goesting in!

Met de trein

In ieder geval, sinds Benny dood is, moet ik met de trein rijden. En daar wil ik het hier dus over hebben.
Ik ben nu afhankelijk van de trein, van de bus, van het openbaar vervoer.
Over de chauffeurs van de Lijn kan ik ondertussen al een B-filmscenario schrijven, vooral over die ene in Antwerpen met zijn Clement Peerens-snor, maar dat is voor later, laten we beginnen bij de NMBS.

Een eerste minpunt (er zijn zeker ook pluspunten maar ook die zal ik opsparen voor later):

Ik heb niet graag dat de conducteur niet direct komt.
Ik zou graag hebben dat alle conducteurs direct komen.
Want anders ben je net lekker een dutje aan het doen en word je in het midden van de rit weer wakker gemaakt om je kaartje te laten zien.
Gewoon aan het begin van de rit en klaar.

Geen cadeau

Vervolgens had ik gedacht dat ik een cadeau zou krijgen bij de inlevering van mijn nummerplaat.
Iets in de vorm van iets gratis, een abonnement op het een of het ander of zo, of toch tenminste een vriendelijke dame achter een loket die plechtig zou zeggen:
“Proficiat mevrouw, voortaan werkt u mee aan ons mooie groene klimaat.”
Niks van, niks te cadeau. Zelfs dus niet gewoon een proficiatje van een dame achter een balie.

Je auto inleveren moet je gewoon doen voor het milieu, voor jezelf en voor je portemonnee. Al had ik toch graag wat publieke bevestiging gehad.

Maar dat is allemaal bijzaak.
Hoofdzaak is natuurlijk de trein zelf.

Rijdt hij of rijdt hij niet?

EN OF DIE RIJDT OF NIET OP HET MOMENT DAT JE DAT WEL VERWACHT!
Vanmorgen nog. Ik ga hier één voorbeeld uitwerken, maar de lijst van vertragingen en afschaffingen is eindeloos.
Maandagochtend.
Daar sta je dan in de kou in Mechelen te wachten op je aansluiting richting VRT, dat wil zeggen ‘de Etterbeek-Halle van tien over negen’.
“Reizigers richting Etterbeek-Halle, de trein vertrekt vandaag uitzonderlijk vanuit Vilvoorde. Waarvoor onze excuses,” zo weergalmt het door de speakers op het perron.

What the fuck! Wat ben ik met die boodschap, ik sta in Mechelen!

Een van de positieve punten aan treinvertragingen is dat het de mensen samenbrengt. Gedupeerde passagiers, het is een soort dat mekaar aantrekt. Hier en daar wordt er een grap gemaakt ‘Dat die van de NMBS nog denken dat het weekend is’ en ‘Allé vooruit, wat gaat dat geven als het vrijdag is.’
In ieder geval na veel overstappen geraak je dan eindelijk in Vilvoorde, alwaar de volgende trein richting VRT “Heden ten dage is afgeschaft. Waarvoor onze excuses.”

Het aantal grappen is ondertussen tot een minimum herleid.

Ik ben vanochtend bijna drie uur onderweg geweest om op de VRT te geraken. Dat is bij mijn weten NIET NORMAAL!

Niemand heeft zich ooit zo vaak tegen mij verontschuldigd als de NMBS op één ochtend. En nog veel minder in zulk een archaïsch woordgebruik, met woorden als ‘heden ten dage’ en zo.

Maar wat ben je er in godsnaam mee?
Ik ga een bom leggen onder de trein. Wel een bom die niet veel pijn doet.
Een die ook geen mensen dood maakt of zo, want ik heb de laatste tijd genoeg gerouwd om mijn Benny en tenslotte ben ik vóór de wereldvrede.
Ik ga dus een heel klein bommetje leggen onder de trein, een vriendelijk maar toch kordaat bommetje,

een voetzoekertje.

@Allen: uw reactie is welkom als u zich houdt aan de regels voor deelname aan onze discussieforums – mod

Mijn ‘Man Bijt Hond’

27 / 01 / 2010

1.164.988: Zoveel mensen keken er afgelopen woensdag naar Man bijt hond. Het waren er nog nooit zoveel geweest.
Dus hebben veel kijkers bijvoorbeeld kunnen genieten van het filmpje over Eugène die zijn auto dagelijks in en uit de garage rijdt, met maar 3 cm ruimte aan elke kant. Je had de neiging om naar het scherm te roepen: “Opgezet spel! Dit kan niet!” Maar het punt is dat niemand zoiets verzint… En de kracht van Man bijt hond? Dat het zulke situaties net wèl vindt.

“Dat is nu echt iets voor in Man bijt hond!” Hoe vaak heb je dat trouwens zelf al niet gezegd als je bepaalde mensen tegenkomt of in rare situaties verzeild raakt? Het programma is na ruim twaalf jaar zo ingeburgerd dat ook mensen zonder televisie dan meteen begrijpen wat je bedoelt, als je dus zegt: “Dat is nu echt iets voor in Man bijt hond!”.

Puur voor de lol heb ik eens de oefening gemaakt en mijn eigen buurt door een Man bijt hond-bril bekeken.
Zie hier mijn geschreven-maar-denkt-u-er-de-beelden-even-zelf-bij Man bijt hond uit het hart van Borgerhout.

A. De vrouw met de stakende hond

Weer of geen weer, een hond jaagt de mensen de straat op. De stakende hond in kwestie is een langharige teckel en het huisdier van een hoogbejaarde vrouw in een lange regenjas op pantoffels (altijd pantoffels).
De hond is niet oud. De hond is niet ziek. Hij is gewoon koppig. Die teckel weigert namelijk te wandelen. Maar hij moet, voor zijn plasje, voor zijn kakje, voor zijn eigen goed.

Het baasje van de stakende hond ondergaat haar lot gedwee. Regelmatig fiets ik het stel in de buurt voorbij. De langharige teckel ligt dan meestal op zijn rug op de grond, met zijn poten alle vier loodrecht in de lucht. Na een paar minuten, maar het kan soms langer duren, staat hij recht, laat zich een paar meter vooruit trekken en om vervolgens weer te gaan liggen.
Het vrouwtje staat naast hem, niet kwaad, niet gehaast, ze wacht af. Af en toe kijkt ze op haar horloge. Dat is alles. En ze wacht tot hij weer verder wil want trekken of sleuren, het heeft allemaal geen zin.
Van fuchsia poedel tot pitbull in een jasje, we hadden op hondengebied al het een en het ander zien passeren. Maar een hond die staakt? Neen, dat nog niet.

B. Van twee bronstige bejaarden

Het gaat er bij de redactie van Man bijt hond om om altijd, overal waar je komt, alert te zijn. Dus bijvoorbeeld ook in de inkom van het zwembad. Daar zat ik laatst op een bank te wachten op m’n zwemmaatje. Mijn aandacht werd afgeleid naar het gesprek tussen twee bejaarde mannen op de bank naast me. Ik schatte ze een jaar of tachtig, niet veel meer, niet veel minder. Twee sportieve mannen op leeftijd, hun baantjes al getrokken.
Zegt de ene man, laten we hem voor het gemak Marcel noemen, tegen de andere, dopen we hem even François: “Ik stap maar eens op. Ik moet op tijd zijn voor het eten.”
“Ah, eten jullie nog altijd warm op de noen?” vraagt François.
“Ja, natuurlijk, nog altijd,” zegt Marcel.
“Enne… kookt ze nog goed, die van u?”
“Manneke, lekker dat dat iedere keer is!” zegt François.
“Zeg, en zit ze er nog altijd zwaar in?” Deze vraag wordt ondersteund door een gebaar waarbij zijn beide armen een grote bocht in de lucht maken. Het is duidelijk dat Marcel naar het postuur van de echtgenote van François vraagt.
“Vroeger was ze mollig, maar nu niet meer. Nee jong, vermagerd is ze, op dieet, nog 60 kilo weegt ze. Schoon zenne.”
De hanen staan allebei op scherp ondertussen. En ik doe natuurlijk of ik niets hoor.
“Oh, die van mij ook manneke,” zegt Marcel, want het was al eerder duidelijk dat hij zich niet ging laten vloeren, “Heel goed onderhouden.”
François, ook een competitiebeest zijnde, buigt voorover naar Marcel en fluistert iets te luid in diens oor: “En ze heeft nog altijd zulke ferme borsten.”
Waarop Marcel zegt: “Och, manneke, en die van mij dan! Prachtig! C-cup, nog altijd. Allé vooruit, ik moet vertrekken of het eten is koud. Salut François, tot de volgende keer.”
“Dag Marcel, tot de volgende keer!”

C. Meneer Papie geeft de bloemen water

In mijn buurt wonen nog meer mensen een reportage waardig. Neem nu Meneer Papie. Meneer Papie is niet gelukkig. Dat zie je. Dat merk je. Soms trekt hij zich dagen terug zonder iets van zich te laten horen en dan duikt hij ineens uit het niets weer op. Meneer Papie is Congolees. Hij vindt zijn draait niet in ons land. Maar meneer Papie heeft een manier gevonden om niet ten onder te gaan, om zijn eigen noorden altijd terug te vinden.
Sinds een poos blaken de bloemen in zijn straat van gezondheid. De plantenbakken zijn voluit groen, de bloemen fris rood of paars of wit, al naar gelang het seizoen. Hoe dat komt? Omdat meneer Papie nu alle bloemen in de straat water geeft. Water mag hij nemen bij zijn onderbuurvrouw, dat hebben ze nu zo geregeld. Meneer Papie, zijn gieter en bloemen, goed voor een plek in Mijn Man bijt hond.

D. Ieder zijn lied voor Haïti

En om het wereldnieuws niet te vergeten, ook nog een lied ter afronding. Het spreekt voor zich dat iedereen mag meezingen al naar gelang hij of zij gebekt is. De opbrengst gaat naar het goede doel.

@Allen: lees de regels voor deelname aan onze discussieforums – mod

De moord in je hoofd

13 / 01 / 2010

De afgelopen week heb ik me een paar keer afgevraagd hoe het zou zijn om vermoord te worden.

Het is ongepast om zulke gedachten te uiten. Noem het verachtelijk om zoiets nog maar te dènken, maar fantasie moet nu eenmaal af en toe worden vrijgelaten, daar is geen houden aan.
Zoveel donkere berichten die we de afgelopen dagen te verwerken kregen, geef daar maar eens een plek aan in je hoofd.
Het is niet prettig om vermoord te worden.
Zover was u ook al.
En opdat u niet zou gaan denken dat ziekelijke sensatie mijn betrachting is, kan ik u meteen gerust stellen, mijn fantasie treedt pas in werking nà de gruwelijke feiten.

De mensen rondom mij

Ik vraag me namelijk af wat zulk een gebeurtenis te weeg zou brengen voor de mensen rondom mij.
En dan denk ik in de eerste plaats aan mijn familie, m’n ouders.
Kapot zouden ze zijn van zulk een boodschap. Natuurlijk. Wat wil je, de zon in hun bestaan zou nooit meer schijnen. Hun o zo vrolijke dochter zou nooit meer zingen, nooit meer lachen, nooit meer een berichtje sturen, nooit meer te laat komen, nooit meer klagen, zelfs nooit meer een scheet laten en plein publique, nooit meer niks meer.
Hele emmers zullen ze vol janken samen.

Het bericht van mijn vreselijk overlijden zal hen worden gemeld door de mensen van de politie. Die zullen het komen zeggen aan de deur. Gegarandeerd net op een mooie zonnige dag, wat het alleen nog maar erger maakt.
Maar het is pas als de agenten buiten zullen zijn dat het nieuws zal beginnen doordringen, heel erg langzaam. Het nieuws is te groot om in één klap binnen te komen. Zowel moeder als vader zullen moeten gaan zitten, ieder in een andere zetel om even alleen te zijn met die boodschap. Moeder zal zelfs op de grond moeten gaan liggen, zo zwaar zal het nieuws wegen. En haar gehuil zal niet zomaar gehuil zijn maar het gebrul van een dier.

Leentje-de-voorste

Nieuws doet snel de ronde in een dorp, en zeker zoiets. Een paar uur later is iedere inwoner van de gemeente ervan op de hoogte. En dan is het vertrokken. Nog een fractie later bereikt het de redacties van kranten, radio- en televisiestations. Daar werkt Leentje. Leentje De-voorste-van-’t-Tvnieuws is een van de eerste journalisten die het bericht verneemt. Ze heeft haar naam niet gestolen, Leentje, van zodra ze het nieuws hoort springt ze in een zendwagen en rijdt samen met haar cameraploeg aan een angstaanjagend tempo naar mijn ouderlijke huis.
In het dorp zal Leentje de weg niet hoeven te vragen want iedereen zal haar vanzelf stilzwijgend de weg wijzen, gewoon de vinger in de lucht in de richting van het huis.

De oprit en de gevel

Zie daar, de straat van mijn jeugd, de straat waar ik met krijt tekeningen maakte op het asfalt, waar ik kampen bouwde in de heg van de buurman en met mijn jockary het betere tennis toonde.
De politie zegt aan Leentje dat ze niet naar binnen mag in huis, dat ze alleen maar beelden van buiten mag maken, van de oprit en de gevel.
(Mijn vader zal later tussen al zijn verdriet in even een helder moment hebben en denken aan het gras dat niet is afgereden want dat zou vorige week gebeuren maar toen kwam het er niet van en nu, ja nu al helemaal niet meer.) En dan gaat de bel voor het eerst.

‘Sus, we doen gewoon of we niet thuis zijn’, zullen moeder en vader tegen elkaar zeggen als Leentje De-voorste-van-’t-TVnieuws voor de deur staat. Ja, ze hadden haar door het matte glas van de deur al herkend.
Noch mijn moeder, noch mijn vader zijn ooit op televisie geweest en ook op dit moment voelen ze in de verste verte niet die behoefte. Dus houden ze zich gedeisd, zodat Leentje zou denken dat ze niet thuis zijn. Het is de hond die hen verraadt, die blijft maar blaffen en blaffen.

Het verblindende licht van een camera

Maar Leentje De-voorste-van-’t-TVnieuws laat zich niet zomaar afschepen, ook niet door een deur die niet opengaat. Dus belt ze nogmaals aan.
‘Allé Sus, doe dan open’, zegt moeder, ‘Dan zijn we ervan af.’
‘Neen, ik doe niet open, dat zie je van hier, ik ga niet praten voor een camera,’ zegt mijn vader, ‘Ga jij anders, jij gaat dat beter kunnen.’
Ondertussen gaat de bel nog een keer en besluiten ze samen naar de deur te gaan en elkaar aan te vullen mocht een van de twee niet uit zijn woorden komen.

Als ze openmaken kijken ze recht in het verblindende licht van een camera. Leentje betuigt hen haar medeleven, vraagt vriendelijk of ze een paar vragen mag stellen en zegt daarbij dat ze hun tijd mogen nemen (maar niet teveel want het bericht moet binnen zijn voor het middagnieuws. Dat zegt ze niet maar toont ze met een onopvallende knik in haar blik).
Als mijn moeder vraagt of ze niet beter eerst even kan douchen en wat meer flatterende kleren aantrekken, zegt Leentje dat dat absoluut niet nodig is, dat het allemaal prima is hoe het is, dat ze er geweldig uit ziet.
Mijn vader komt verrassend goed uit zijn woorden en praat in helder AN.

Na een klein half uur is heel het team alweer vertrokken en valt de stilte terug als 10 grote zakken bloem op hun hoofd. Op de terugweg naar de redactie houdt de televisieploeg nog even halt in een wegrestaurant voor een koffie en een broodje gezond. Ze doen high five naar elkaar, omdat Leentje De-voorste-van-’t-TV-nieuws haar naam weer alle eer heeft aangedaan.

De Stille Optocht

De komende week zal Leentje nog vaak terugkeren naar het dorp van mijn jeugd. Ook op de dag van de Stille Optocht is ze paraat. Want het zal daar zijn waar ze de stille optocht zullen organiseren, dichtbij het ouderlijke nest, niet in de stad waar ik nu woon. De burgemeester zal die optocht organiseren en op kop meelopen, hoewel ik van mijn leven niet voor hem heb gestemd.
Ook lopen er een aantal mannen mee, die ooit de jongens uit de klas waren waar ik oh zo verliefd was. Toen zagen ze me niet staan maar nu zijn zij het die in de camera zeggen hoe prachtig ik was. Nog veel andere ex-klasgenoten zullen meestappen in de optocht en zeggen hoe een toffe en lieve ik was en dat je altijd op me kon rekenen, terwijl ik ze na al die jaren niet eens wil als vriend op Facebook.

Mijn echte vrienden zullen zich verschansen. Omdat ook zij geen zin hebben in het tonen van hun tranen aan de wereld. Ze zullen afspreken om samen te zitten voor een afscheidsmoment en straks veel vroeger in hun bed kruipen dan anders.
Ook zij zullen gebeld worden door kranten, radio en televisie, over hoe het is en hoe het was, hoe ik was.
Ze zouden zich veel liever bedrinken, eens goed in de pinten vliegen om hun verdriet te verdoven, om te bekomen van de schok. Maar ze moeten bob zijn om de pers te woord te kunnen staan.

Heavenly lord

Omdat ik van harte hoop dat mijn ouders nooit voor de camera moeten als ze niet hun mooiste kleren aan hebben en hun haren vettig zijn doordat ze de puf zelfs niet hadden om te douchen, hun ogen rood doorlopen zijn van de tranen, en hun blik gekraakt is van verdriet, Omdat ik van harte hoop dat mijn vrienden nooit met een stuk in hun voeten in de ether komen of iemand waar ik ooit eens een avond te lang heb mee aan de toog gehangen, voor heel het land gaat vertellen hoe een sympathieke ik wel was.

Om al die redenen, nog meer dan voor mijn eigen welzijn, heavenly lord, laat me niets overkomen.

(Barbara Rottiers werkt voor Radio1)

@Allen: uw beschaafd geformuleerde reactie is welkom als ze vergezeld gaat van uw voornaam, naam en een behoorlijk e-mailadres: geen schuilnamen dus; u kunt aan de moderator vragen om enkel uw voornaam of intialen te vermelden; de regels voor onze internetfora vindt u hier – mod